Hoe gaan Gods leraren met magische gedachten om?

Dit is voor beide de leraar en de leerling een cruciale vraag. Als er verkeerd met deze kwestie wordt omgegaan dan heeft de leraar van God zichzelf bezeerd en eveneens zijn leerling aangevallen. Dit versterkt angst en maakt dat de magie beiden nogal werkelijk voorkomt. Voor de leraar van God wordt het hoe met magie om te gaan een voorname les om zich meester te maken.

Zijn eerste verantwoordelijkheid hierin is om het niet aan te vallen. Als een magische gedachte woede in enige vorm oproept kan de leraar van God er zeker van zijn dat hij zijn eigen geloof in zonde heeft versterkt en hij zichzelf heeft verdoemd. Hij kan er eveneens zeker van zijn dat hij depressie, pijn, angst en onheil heeft uitgenodigd. Laat hem zich dan herinneren dat het niet dit is dat hij zou willen onderwijzen, want het is niet dit dat hij zou willen leren.

Er bestaat nochtans een verleiding om op zo'n dusdanige manier op magie te reageren die zij wordt versterkt. Noch is dit altijd voor de hand liggend. Dit kan, in feite, eenvoudig achter een wens om te helpen verborgen zijn. Het is deze dubbele wens die de hulp van generlei waarde maakt, en tot ongewenste uitkomsten moet leiden. Noch zou het vergeten moeten worden dat de resulterende uitkomst altijd gelijkwaardig naar de leraar en de leerling komt.

Hoe vaak is het benadrukt dat jij slechts aan jezelf geeft? En waar zou dit beter aangetoond kunnen worden dan in de soorten van hulp die de leraar van God geeft aan diegenen die zijn hulp nodig hebben? Hier is zijn geschenk hem het duidelijkst gegeven. Want hij zal alleen geven wat hij voor zichzelf heeft gekozen, en in dit geschenk is zijn oordeel over de Zoon van God.

Het is eenvoudiger om een vergissing te laten corrigeren waar deze het duidelijkste is, en vergissingen kunnen door middel van hun resultaten worden herkend. Een les die waarachtig is onderwezen kan tot niets anders leiden dan verlossing voor de leraar en de leerling, die in één intentie hebben gedeeld.

Aanval kan alleen voorkomen wanneer de waarneming van verschillende doelen binnen is geslopen. En dit moet inderdaad het geval zijn geweest wanneer het resultaat iets behalve vreugde is. De enkelvoudige bedoeling van de leraar keert het verdeelde doel van de leerling in één richting, en overeenkomstig wordt de roep om hulp zijn enige verzoek. Hierop wordt dan eenvoudig met slechts één antwoord gereageerd, en dit antwoord zal onfeilbaar de geest van de leraar van God binnenkomen. Van daaruit schijnt het in de geest van zijn leerling en maakt hem één met de zijne.

Misschien is het behulpzaam om te onthouden dat niemand boos op een feit kan zijn. Het is altijd een interpretatie die de aanleiding voor negatieve emoties geeft, ongeacht hun ogenschijnlijke rechtvaardiging door wat feiten lijken te zijn. Eveneens ongeacht de intensiteit van de woede die wordt opgewekt. Het kan slechts een geringe irritatie zijn, te mild om zelfs maar duidelijk opgemerkt te worden. Of het kan eveneens de vorm van een intense razernij aannemen, vergezeld door gedachten van gewelddadigheid, bij elkaar gefantaseerd of uitgespeeld.

Het doet er niet toe. Al deze reacties zijn hetzelfde. Zij verduisteren de`waarheid en dit kan nooit een zaak van gradaties zijn. Ofwel is de waarheid duidelijk, of zij is dat niet. Zij kan niet gedeeltelijk herkend worden. Wie zich onbewust van de waarheid is, moet wel naar illusies kijken.

Woede in reactie op bemerkte magische gedachten is een primaire oorzaak van angst. Overweeg eens wat deze reactie betekent, en zijn centraliteit in het gedachtesysteem van de wereld wordt overduidelijk. Een magische gedachte erkent, slechts bij zijn aanwezigheid, een scheiding van God. Hij verklaart, in de simpelst mogelijke vorm, dat de geest die hem gelooft een gescheiden wil heeft die de wil van God tegen kan stellen en eveneens gelooft dat hij daarin kan slagen.

Dat dit amper een feit kan zijn is overduidelijk. Echter, dat het als een feit aangenomen kan worden is evenredig duidelijk. En hierin ligt de geboorteplaats van schuld. Degene die de zich de plaats van God toeeigent en die voor zichzelf houdt heeft nu een dodelijke vijand. En hij moet wel alleen in zijn bescherming staan, en voor zichzelf een schild maken om hem veilig te houden voor een furie die nooit kan afnemen en een wraak die nooit bevredigd kan worden.

Hoe kan deze onredelijke strijd opgelost worden? Het einde is onvermijdelijk, want de uitkomst ervan moet wel de dood zijn. Hoe kan iemand in zijn eigen verdedigingen geloven? Magie moet opnieuw te hulp schieten. Vergeet de strijd. Accepteer het als een feit, en vergeet het dan. Herinner je niet de onmogelijke onenigheid tegen jou. Herinner je niet de immensiteit van de vijand, en denk niet in vergelijking aan jouw fragiliteit.

Accepteer jouw scheiding, maar herinner je niet hoe het tot stand kwam. Geloof dat jij hem hebt overwonnen, maar onderhoudt niet de geringste herinnering aan Wie jouw grootse tegenstander werkelijk is. En door jouw 'vergeetachtigheid' op Hem te projecteren, lijkt het erop dat Hij het eveneens is vergeten.

Maar wat zal nu jouw reactie op al jouw magische gedachten zijn? Zij kunnen slechts een slapende schuld wakker maken die jij weliswaar hebt verborgen, maar niet hebt laten gaan. Elkeen zegt duidelijk tegen jouw bevreesde geest: "Jij hebt je de plaats van God toegeëigend. Denk maar niet dat Hij dat is vergeten."

Hier wordt de angst voor God het grimmigst gerepresenteerd. Want in die gedachte heeft schuld waanzin reeds naar de troon van God verheven. En nu is er geen hoop meer. Behalve om te doden. Hier nu is verlossing. Een woedende vader jaagt zijn schuldige zoon na. Dood of wordt gedood, want daarin alleen ligt de keuze.